GEDICHT FERN HILL

De vertaling van het gedicht van Fern Hill dat we zingen op zaterdag 10 oktober 2015 luidt als volgt:

Eens toen ik jong en vrij was onder de appeltakken
Rond het zingende huis en blij tussen het groene gras,
De nacht vol sterren boven de vallei,
Liet de tijd me jubelen en klauteren
Goudglanzend in het hoogtij van zijn ogen.
En gelauwerd tussen wagens was ik prins van de appelhoven
En in die voortijd liet ik, een vorst gelijk, boom en blad
Meedrijven met gerst en madelieven
Op de stromen van afgewaaid licht.

En toen ik groen en zorgeloos was, gevierd tussen de schuren
Rond het blije erf en zong om de hoeve, mijn huis,
In de zon die maar eens jong is,
Liet de tijd me spelen en glimmen
Als goud in de genade van zijn overdaad,
En groen en goud was ik jager en hoeder, de kalveren
Stemden in met mijn hoorn, de vossen in de heuvels keften klaar en kil,
En de sabbat rinkelde loom
In de kiezels van de heilige wateren.

Heel de zon lang stroomde alles, het was heerlijk, de hooi-
Velden hoog als het huis, een wijsje uit elke schoorsteen, het was lucht
En spel, heerlijk en waterrijk
En vuur groen als gras.
En 's nachts onder het simpel gesternte
Als ik weggleed in sluimering, voerden de uilen de hoeve weg,
Heel de maan lang hoorde ik, gezegend tussen de stallen, de zwaluwen
Scheren tussen de schoven, en de paarden
Draven in de duisternis.

En dan ontwaken, en de hoeve, als een dwaalgast wit
Van dauw, zien terugkeren, de haan op de schouder: het was al
Glinstering, het was Adam en de Eerste Vrouw,
De hemel maakte zich weer op
En de zon groeide rond juist op die dag.
Zo moet het zijn geweest na de geboorte van het prille licht
Op de eerste, duizelende plek, met betoverde paarden die zich warm stapten
Uit de hinnikend groene stal
Naar de glorievolle velden.

En geëerd door vossen en fazanten bij het opgewekte huis
Onder nieuwe wolken en gelukkig met het hart vol verlangen,
In de telkens herboren zon,
Rende ik mijn roekeloze wegen,
Mijn wensen snelden door het huishoge hooi
En het deerde me niet bij mijn hemelsblauwe daden dat de tijd,
Zo toonrijk in zijn tolling, zo weinig van zulke morgenliederen gunt
Voordat de kinderen groen en goud
Hem volgen uit de gratie,

Het deerde me niet, in die lamswitte dagen, dat de tijd me zou leiden Naar de zolder zwart van zwaluwen bij de schaduw van mijn hand,
In de maan die immer rijst,
Noch dat ik in mijn sluimerslaap
Moest horen hoe hij vloog over de hoge velden
En ontwaken bij de hoeve voor goed vervlogen uit het kindloze land.
O, toen ik jong en vrij was in de genade van zijn overdaad,
Droeg de tijd me groen ten grave
Al zong ik in mijn ketenen als de zee.